Redactie Rooseboom

teksten en organisatie voor journalistiek en communicatie


Lijnteelt

Het verschil tussen 'dominantie' en 'leiderschap'

Op zoek naar de ‘ware Jacob' voor je teef

Laat maar uitvechten


Lijnteelt

door Janneke Leunissen-Rooseboom
Elke combinatie die een fokker maakt is - als het goed is - een kwestie van verstand én gevoel. Gevoel omdat een fokker intuïtief bepaalt waarom de ene reu wel en de andere niet bij een bepaalde teef past. De een heeft dat ‘Fingerspitzengefühl' meer dan de ander, wat er voor zorgt dat er verschil is in kwaliteit en eenheid tussen de fokproducten van verschillende kennels. Dat is in belangrijke mate een kwestie van zien en aanvoelen. Maar om succesvol te fokken is verstand zeker zo hard nodig. Want aan fokken valt ook veel te bestuderen en te beredeneren. Elke dekking kent verschillende kansen. Het gaat erom de kansen op goede zaken zo groot en die op mindere prettige zo klein mogelijk te maken.

Gevoel en verstand worden ondersteund door kennis van stambomen. Als een fokker die bekijkt, gebruikt hij meestal stambomen die zijn uitgewerkt over vijf generaties. Dat zijn er dus twee meer dan de drie die staan op de stamboom van de Raad van Beheer. Een fokker wil ook zien wie de ouders en grootouders zijn van de overgrootouders. Als het goed is kent de fokker een aantal honden die op de stambomen voorkomen, maar zo niet dan kan hij kan er het nodige over nazoeken. Aan de hand daarvan vormt hij zich een beeld over de kwaliteiten van de honden die op de stambomen voorkomen, en vooral van de combinatie daarvan. Als de stambomen naast elkaar worden gelegd kunnen er twee dingen blijken: ofwel bij die 2 x (2+4+8+16+32) hondennamen staat geen enkele dubbele, ofwel er komen namen overeen. Is het eerste het geval, dan spreek je van een outcross. In het tweede geval gaat het technisch gesproken om inteelt. Hondenfokkers onderscheiden daarin nog de ondercategorie lijnteelt.
Begrippen
Je spreekt van outcross als in de stamboom van de vaderhond geen enkele naam staat die ook voorkomt in die van de moederhond. Dat betekent dus dat de ouderdieren - althans binnen vijf generaties - geen familie van elkaar zijn. De ouderdieren zitten dan genetisch ook verschillend in elkaar. Verschillend uiteraard slechts voorzover dat binnen een ras mogelijk is, omdat rasgenoten per definitie veel van elkaar weg hebben. Zelfs als de ouderdieren in bepaalde opzichten op het oog overeenkomen, valt bij een outcross combinatie moeilijk te voorspellen hoe hun pups zullen uitvallen. Die kunnen op de ouders gaan lijken, maar dat hoeft helemaal niet. Soms vinden fokkers dat vervelend, soms is het juist gewenst. Van tijd tot tijd heeft elke fokker namelijk behoefte aan een verruiming van de mogelijkheden, daarvoor moet hij een outcross toepassen. Hondenfokkers spreken van inteelt als de eerste overeenkomende namen al optreden in de generatie van de ouders of grootouders. Dat gebeurt dus als een reu met zijn dochter of zijn moeder wordt gecombineerd of als een (half)broer en (half)zuster aan elkaar worden uitgehuwelijkt. Voor alle andere combinaties hanteert men het begrip lijnteelt. Daarbij vindt je dus ‘ergens' in de stamboom aan vaders- en moederskant een of meer namen meer dan een keer terug. De ouderdieren zijn in meer of mindere mate familie van elkaar.
Voorspelbaarheid
Waar fokkers meestal naar op zoek zijn is een zo groot mogelijke voorspelbaarheid van het eindproduct. Ze willen graag pups fokken met een bepaald uiterlijk of met een bepaalde werkaanleg. Om dat te krijgen, dat is nu juist de sport! Combineren van fokdieren die een of meer voorouders delen vergroot de kans dat de pups die zij samen voortbrengen op die gemeenschappelijke voorouder(s) lijken. Dat komt omdat de genen van die voorouders als het ware in een hogere concentratie beschikbaar zijn en dus een grotere kans hebben tot uitdrukking te komen in de pups.
Eigen lijn
U begrijpt dat deze manier van fokken voor een fokker zeer interessant is. Hij kan redelijk gaan voorspellen hoe de puppy's in een nest gaan worden. Als de fokker dit systeem verder doorvoert worden in zijn kennel op den duur pups geboren met in hoge mate dezelfde eigenschappen. Men spreekt dan van het opzetten van een ‘eigen lijn', waarin bepaalde raskenmerken zeer sterk zijn vastgelegd. Aan die specifieke kenmerken kunnen rasspecialisten herkennen uit welke kennel een pup of hond komt. Zo iets te bereiken is de droom van veel toegewijde, serieuze fokkers.
Nadeel
Helaas, fokken binnen een familie heeft ook een nadeel. De honden die meerdere malen in een stamboom voorkomen en wier kwaliteiten (de weg naar) het ideaalbeeld vormen, hebben namelijk niet alleen goede eigenschappen, maar zijn ook in staat een aantal ziekten te vererven. Elke hond draagt een stuk of tien genen voor ziekten bij zich. Dat is geen probleem, want een ziekte openbaart zich niet, zolang er een gen voor gezondheid tegenover staat. Dat is normaal gesproken bijna altijd het geval. De kans dat een pup van zijn vader en moeder nou net hetzelfde ziektegen erft, en dus daadwerkelijk ziek wordt, is bij een outcross klein. Bij lijnteelt echter is die kans bewust vergroot; bij inteelt is dat extreem het geval. Immers deze manieren van fokken streven er juist naar de variatie van de genetische mogelijkheden te reduceren. Deze werkwijze heeft een onbedoeld bij-effect. Niet alleen in voortreffelijke eigenschappen, ook in erfelijke gebreken kan een puppy sterk op de in de stamboom meermalen voorkomende voorouder(s) gaan lijken. Zelfs zo, dat zich bij de pup openbaart wat die voorouders slechts verborgen bij zich droegen. Oftewel: de pup lijdt aan de familiekwaal.
Kansen schatten
Bij fokken gaat het om inschatten van kansen. Bij een inteeltcombinatie (vader x dochter, zoon x moeder, halfbroer x halfzuster) is de kans dat ziekten zich openbaren heel groot. Bij lijnteelt is die kans minder, maar is extra waakzaamheid wel op zijn plaats. Van een aantal erfelijkheidszaken kan de fokker op de hoogte zijn. Maar het is onmogelijk alles te weten. Er spelen immers zo ontzettend veel genen een rol, en die voor ziekten blijven verborgen zolang ze niet samen in een individu terecht komen. Met lijnteelt worden ze daartoe wel aangemoedigd, maar het kan een tijd duren eer het zover komt. Zelfs het maken van een pure inteeltcombinatie, wat fokkers bij uitzondering wel eens op proef doen, hoeft niet meteen tot inzicht te leiden. Worden er pups met een afwijking geboren dan is zeker dat de ouders drager daarvan zijn. Maar helaas, het omgekeerde geldt niet: een gezond nest uit een enkele proefparing wil niet zonder meer zeggen dat de ouders geen ellende te bieden hebben, het kan toevallig goed zijn gegaan. Slechts als het complete DNA in kaart zou zijn gebracht zou je weten wat een hond genetisch te bieden heeft, ook in het negatieve. Zover is het echter nog niet. Inzicht op basis van DNA is er alleen voor bepaalde ziekten en bij de bepaalde rassen. De Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en het daarvan afgeleide concept Centraal Fokbeleid van de Raad ontmoedigt inteelt, omdat die fokmethode het grootste gezondheidsrisico oplevert. De Raad is van plan pups uit een pure inteeltcombinatie niet meer in te schrijven in het NHSB. Anders dan mensen wel eens denken zal lijnteelt echter gewoon toegestaan blijven. (Verschenen in de rubriek Raad en Daad (Raad van Beheer) in maandblad Onze Hond, oktober 2003)

Het verschil tussen 'dominantie' en 'leiderschap'

door Janneke Leunissen-Rooseboom

Een hond die actief en vaak haantje de voorste is, krijgt al snel het etiket 'dominant' opgeplakt. Het is zo'n handig woord dat iedereen kent en je weet dus meteen wat voor vlees je in de kuip hebt. Maar is dat ook zo? Doreen Planta laat zien dat een etholoog zorgvuldig met dit begrip omgaat en dat er een wezenlijk onderscheid is tussen dominantie en leiderschap, termen die een leek gemakkelijk door elkaar gebruikt.


Dominantie beschrijft een relatie tussen twee individuen. Met het begrip dominant wordt de positie van het dominantere dier beschreven. Binnen een roedel heerst een bijna lineaire hiërarchie. Dat wil zeggen dat er maar één dominant is over alle dieren, nummer twee is dominant over de rest, enzovoort. Het alfa-dier (diegene die dominant is over alle dieren) bepaalt wat er in de groep gebeurt: initiatieven worden door hem of haar genomen en daarin voorop gaan is aan hem of haar voorbehouden. Degene die de gang van zaken bepaalt en bij wie het initiatief berust, is overigens niet noodzakelijk degene die ook alles uitvoert. Een drukke bezige bij hoeft het dominante dier helemaal niet te zijn, eerder het tegendeel. Want net als bij mensen kunnen ook honden delegeren. Dat is ook de essentie van de sociale samenlevingsvorm waarin hond (en mens) leven: werk kan worden verdeeld.
Leiderschap
Bij de uitvoering van de diverse taken in een groep is er steeds weer een die zo'n specifieke activiteit aanvoert. Dat dier is van die bezigheid de leider. Elke taak kan een andere leider hebben. Kenmerkend verschil met het dominante dier is dat een leider dat is bij de gratie van een ander: wie het leiderschap bekleedt wordt namelijk bepaald door het alfa-dier. Voor het minder getrainde oog is er, als naar bepaalde aspecten van gedrag wordt gekeken, niet zo veel verschil te zien tussen dominantie en leiderschap, als men al zou weten dat dit onderscheid bestaat. En om het nog ingewikkelder te maken: een hond kan dominant gedrag vertonen, zonder dominant te zijn! Het is duidelijk dat hieruit gemakkelijk verwarring kan ontstaan. In de praktijk - in de dagelijkse omgang, bij opvoeding en training, en zeker voor de behandeling van probleemgevallen door de gedragsbegeleider - maakt het veel verschil uit of een hond een dominante of een leiderschapsrol vervult of dat een dier dominant gedrag vertoont.
Trekken aan de lijn
Neem nou trekken aan de lijn. Vaak wordt dat betiteld als dominant gedrag. Inderdaad, net als de leider loopt een hond die trekt voorop. Maar dat kan een heel andere reden hebben dan dat de hond bepaalt wat er gebeurt. Een hond maakt namelijk makkelijker snelheid dan de mens en als hij een lekker gangetje heeft loopt hij dus al gauw aan het einde van de lijn. Daar kan hij niet verder meer, dus trekt hij. Zeker als hem de oefening wandelen zonder trekken niet is geleerd. Dat feit kan de eigenaar accepteren: het kan de hond worden toegestaan voorop te gaan. In dat geval biedt de baas hem bij de wandeling een leidersrol aan. Maar normaal gesproken houdt de eigenaar als de alfa van de roedel wel het initiatief: hij besluit op welk moment er gewandeld gaat worden en bepaalt ook de route. Pas zodra dat niet meer het geval is, en de hond dus met de baas op stap gaat, vertoont de hond inderdaad dominant gedrag. Het vertonen daarvan wil dan overigens nog niet zeggen dat de hond daadwerkelijk dominant is. Dat hij echter aan het proberen is de toppositie te bereiken, is wel iets waar men op bedacht moet zijn. Als de hond namelijk maar vaak genoeg de kans krijgt om dominant gedrag te vertonen, en in sommige gevallen hier zelfs voor wordt beloond, zal hij uiteindelijk over de eigenaar dominant worden.
Aanslaan en het wegjagen van vreemd volk kan echter heel goed een taak zijn die de hond in commissie, dus in (stilzwijgende) opdracht van zijn eigenaar, uitvoert. Zoiets speelt ook bij dieren die werkzaam zijn als blindengeleide- of Soho-honden. Zulke honden moeten bijzonder veel ondernemen maar essentieel is dat ze dat doen in opdracht. Ook hier geldt weer: op het eerste gezicht kan het er uit zien alsof de hond het initiatief neemt en dus dominant is, maar in werkelijkheid wordt hem opgedragen bij een bepaalde taak het voortouw te nemen: hij vervult de leiderschapsrol.
Vakjes
Mensen willen graag alles snel in een vakje plaatsen. Dan lijkt het of je het beter kunt begrijpen. Bij gedrag blijkt dat echter niet goed mogelijk. Vaak zit gedrag ingewikkelder in elkaar dan zo op het eerste oog lijkt. Om een juist oordeel te kunnen vellen moet meestal meer bekend zijn over de context en de relatie tussen de individuen. Met de term 'dominant' bedoelen leken meestal 'probleemhond'. Ook dat is te kort door de bocht. Dominantie maar ook leiderschap, in ethologische zin, veronderstelt zelfverzekerdheid en geestelijke evenwichtigheid. Inderdaad kan een 'geestelijke krachtpatser' in sommige situaties voor mensen best moeilijk te hanteren zijn. In de praktijk blijkt echter gebrek aan zelfvertrouwen bij de hond eerder een bron van moeilijkheden. Dominantie synoniem achten met 'probleem' is onterecht. Zelfs komt het voor, dat honden die dominant zijn over de bezitter nooit moeilijkheden opleveren. Beide partijen kunnen daar heel tevreden mee zijn en zolang die harmonie niet wordt verstoord is er niets aan de hand. Lang niet elke hond heeft overigens de aspiraties om zelf de dominante positie in te vullen. Wie een hond heeft die daar niet naar taalt, heeft het als eigenaar gemakkelijk om dominant over de hond te worden en te blijven. Duidelijke verhoudingen hoeven overigens niet synoniem te zijn met harmonie. Een eigenaar die, ondanks zijn dominante positie, erg inconsequent is en de hond niet duidelijk kan maken wat hij nou precies van hem verwacht, kan zijn hond heel onzeker maken. Die hond heeft immers geen idee wat er van hem wordt verlangd. Dat levert stress op, ondanks een duidelijke dominantie-verhouding. Hoe de dominantie-verhoudingen liggen en hoe ze uitpakken, hangt dus in belangrijke mate af van het karakter van de hond en dat van de eigenaar, van de combinatie dus. Bij sommige honden moet het verschil in dominantie heel erg groot zijn, bij andere weer niet. Er zijn honden die alles uit de kast halen om dominant te worden over de eigenaar en andere weer niet. Alles is hierin dus mogelijk, niets spreekt vanzelf en elke eigenaar-hond relatie is verschillend.
Conclusie
Met het begrip dominant worden dus niet in een klap allerlei bijzaken verklaard. Bovendien moet de term met zorg worden gebruikt. Zonder kennis van de omstandigheden, de relatie en de karaktereigenschappen van zowel de hond als de eigenaar, is het vaak moeilijk te beoordelen of het begrip juist wordt toegepast. Schijn bedriegt vaak: wat er uit ziet als dominant, is in werkelijkheid vaak leiderschap of dominant gedrag.

(Verschenen in Los Vast, het vakblad van de Nederlandse Vereniging voor Instructeurs in Hondenopvoeding en -opleiding (O&O), februari 2001)

Op zoek naar de ‘ware Jacob' voor je teef

door Janneke Leunissen-Rooseboom

Wie een nest wil fokken moet zelf een teef hebben, maar uiteraard is er ook een reu nodig om het beoogde resultaat te krijgen. Waar vind je de juiste reu? Nadat in de Raad en Daad in het septembernummer besproken is wat de eigenaar van een teef doen moet om uit te vinden of de teef geschikt is voor de fokkerij, gaat het deze keer over de zoektocht naar een juiste huwelijkskandidaat. Het zal blijken dat ook deze onderneming weer wat voorbereidingstijd kost.

Een geschikte reu voor je teef vind je helaas meestal niet vlak om de hoek. Ook niet als het gaat om een populair ras, waarvan er bij wijze van spreken in elke buurt wel een paar wonen. Als het goed is stel je je als fokker namelijk een bepaald doel bij een nest. Ik ga nu fokken om dat en dat te proberen te bereiken. De teef is een vast gegeven, de reu kan worden uitgezocht om bij dat plan te passen. Het doel kan van alles zijn, maar meestal gaat het om een verbetering van een aspect waarin de teef minder goed is en/of om bestendiging van haar sterke punten. Als je het zo nauwkeurig bekijkt zou het wel uiterst toevallig zijn als de bijpassende reu nou net de buurhond is!
Basiseisen
Om te beginnen moet de reu voldoen aan dezelfde eisen als de teef: gezond van lichaam en geest en de in het ras van belang zijnde gezondheidstesten gepasseerd met de gewenste uitslag. Afhankelijk van het ras zal de rasvereniging verder eisen stellen aan het karakter van de fokdieren en mogelijk ook een bewijs vragen waaruit de aanwezigheid van de gewenste werkeigenschappen blijkt. Verder moet de reu de juiste leeftijd hebben, te jong is in de meeste rassen ‘not done'. Verder moet hij nog ruimte hebben om te mogen dekken. Tenminste, die laatste eis zal gaan gelden als voor alle rassen mogelijk regels in werking treden in het kader van het Centraal Fokbeleid van de Raad. Daarin is het plan om per ras een limiet te stellen aan het aantal dekkingen dat een reu mag geven. Dit om te voorkomen dat slechts enkele reuen een onevenredig zwaar stempel zetten op de volgende generatie. Gaat de reu over dat afgesproken aantal heen, dan heeft dat pijnlijke gevolgen: de pups uit de surplus nesten worden niet ingeschreven in het NHSB. Als teveneigenaar zul je dat wel even goed willen checken.
Achtergrondkennis
Dan moet je de stamboom van de reu bekijken in samenhang met die van je teef, liefst van beide vier tot vijf generaties. De reu moet niet al te verwant zijn aan je teef. Bij veel rashonden komen op den duur in de stambomen wel een of meer dezelfde namen voor, vaak van de bekende kampioenshonden. Vroeger zag men dat graag, maar tegenwoordig neigt men er in het algemeen toe dat wat minder te waarderen. Met die stamboom in de hand is het van belang dat je gaat speuren naar kenmerken van de voorouders en familie van de reu. Gegevens van deze dieren vertellen namelijk iets over de kans van slagen van je plan. Dat is waar je een stamboom voor nodig hebt: om daarmee de voorouders van je hond en zijn partner te leren kennen. Want die bepalen hoe jouw nest er uit komt te zien. Heeft een bepaalde reu zelf wel de kwaliteit op het punt waar je naar zoekt, maar blijkt uit je naspeuringen dat die bij het merendeel van zijn voorouders, broers en zusters en zijn kinderen ontbreekt, dan is hij vermoedelijk voor het voor jou belangrijke punt helaas niet zo'n sterke vererver en kun je hem maar beter van de lijst halen.
Rasvereniging
Bij deze speurtocht heb je veel aan de rasvereniging. Wie met fokplannen rondloopt wordt het beste snel lid van de rasvereniging, als je dat niet al lang was. Je kunt daar met je vragen terecht. Sommige verenigingen zijn al vroeg in hun bestaan met het verzamelen en in kaart brengen van gegevens begonnen, voor andere is dat nog een betrekkelijk nieuw werkgebied. Maar alle verenigingen zijn daar tegenwoordig wel op een of andere manier mee bezig. In sommige rassen is men al heel ver met de automatisering op dit terrein, zelfs zo dat men voor een of meer punten die voor het ras van belang zijn kan aangeven of pups uit een bepaalde combinatie de kans lopen daarin beter of slechter te scoren dan het gemiddelde in dat ras. Fokwaardeschatting heet dat. Voor de fokkerij uiteraard een fantastisch hulpmiddel. Maar ook de ‘ouderwetse' aanpak is zeer waardevol: bij elke vereniging lopen mensen rond die het ras uit eigen langjarige ervaring grondig kennen. Onder hen zijn er zeker die graag bereid zijn serieuze nieuwelingen in te wijden en in hun kennis te laten delen. Die kennis is misschien minder systematisch, maar meestal wel breder, want in een databank kan nu eenmaal niet alles wordt opgeslagen. Voor ingewijden met veel stamboomkennis kan al zo duidelijk zijn of een bepaalde combinatie er voor sommige aspecten goed uitziet, dan wel vermoedelijk op een teleurstelling zal uitlopen.
Met eigen ogen
Het is belangrijk toekomstige huwelijkskandidaten met eigen ogen te bekijken. Dat kan op evenementen als tentoonstellingen en clubmatches, op werkproeven als die in dat ras plaatsvinden, en natuurlijk bij de reu thuis. Trouwens altijd een aanrader om eens te zien hoe de hond zich in normale omstandigheden gedraagt. Op een show of proef is hij misschien gespannen en dan laat hij zich toch van een andere kant zien dan in zijn normale dagelijkse leven. Maar lang niet elke reu die rondloopt is ook voor jouw snode plannen beschikbaar. Het is vooraf wel prettig om te weten welke eigenaars voor een huwelijksaanzoek open staan. Sommige verenigingen vragen reueneigenaars daarnaar en zetten de reuen die beschikbaar zijn in een register dat door teveneigenaars kan worden geraadpleegd. Andere rassen kennen zoiets (nog) niet.
Dekken
Lang niet alle bezitters willen hun hond voor een dekking afstaan. Soms hebben ze er geen zin in zo veel geld te besteden aan de nodige gezondheidsonderzoeken. Maar vaker nog zijn ze bang dat hun reu na een dekking vervelend wordt: een lastige macho die niet meer wil luisteren en die als hij maar even de kans krijgt achter de teven aan zal gaan. Dat een reu in zijn status wordt bevestigd door een dekking is iets wat zeker is. Maar hij is ondergeschikt aan zijn baas, dat blijft hij, vader of niet. Dus wie z'n hond niet onder de duim had zou na een dekking mogelijk nog minder over hem te zeggen kunnen krijgen, elk ander hoeft eigenlijk niets negatiefs te verwachten. Dat de reu voortaan als een dolleman achter elke teef aangaat, dat is nu juist iets wat normaal gesproken eerder afneemt dan toeneemt, zoals elke fokker met eigen reuen weet. Immers een reu die heeft gedekt heeft daarmee meestal ook onderscheid leren maken tussen ‘interessant ruiken' en ‘vruchtbaar zijn'. Hij heeft daarbij ervaren dat alleen in het laatste geval iets van hem wordt gevraagd. Zo'n reu is daarmee wijzer en handelbaarder geworden dan de lummel die al uit zijn doen raakt van een teef die nog met de loopsheid moet beginnen en die dat blijft tot ver na de laatste dag.
Afspraken
Na het nodige voorwerk heb je op een zeker moment een reu gevonden die aan je eisen voldoet. Met zijn eigenaar probeer je dan tijdig een afspraak te maken voor als het zover is. Wat in het ras aan dekgeld gebruikelijk is, valt uit te vinden bij de rasvereniging. Denk daarbij in de richting van de prijs van een pup. Het is de service die betaald wordt, dus na de dekking afrekenen is normaal. Bij uitblijven van resultaat mag je soms een volgende loopsheid nog een keer terugkomen. Dit is de meest voorkomende vorm, maar in principe zijn de twee partijen vrij elke afspraak te maken die ze willen. Het is aan te raden die afspraak heel duidelijk te formuleren, misschien zelfs even op te schrijven, om misverstanden te voorkomen. Het zal duidelijk zijn dat fokken een flinke investering vraagt en dat je je het beste alleen aan een nest waagt als je wat risico lopen kunt. Fokken, op de manier zoals hier beschreven, is en blijft een hobby, een hobby die als je hem serieus beoefent heel wat van je vraagt - maar ook veel geeft.

(Verschenen in de rubriek Raad en Daad (Raad van Beheer) in maandblad Onze Hond, oktober 2003)

Laat maar uitvechten

door Janneke Leunissen-Rooseboom

Net als bij mensen is het tussen honden niet altijd rozengeur en maneschijn, en soms kan het zelfs heel heftig toegaan. Knokpartijen liggen altijd op de loer waar honden samenkomen of samenleven. Wat te doen als je hond wil gaan vechten, wat als hij wordt aangevallen? "Laat maar uitvechten", wordt er meestal aangeraden, "dat gebeurt in de natuur ook en dat regelen ze wel onder elkaar". Doreen Planta brengt de nodige nuancering aan.

De relatie tussen de vechtersbazen maakt het vitale verschil uit. Behoren ze tot dezelfde roedel of hebben ze een andersoortige relatie, of niet? Gevechten van honden die geen relatie hebben moeten altijd worden gestopt en veel liever nog: worden voorkomen. Uiteenzettingen tussen roedelgenoten kunnen echter juist een belangrijke functie hebben, al is bij teven altijd grote voorzichtigheid geboden.
Straatgevechten
Gevechten tussen honden die elkaar ergens tegenkomen kunnen ernstig uit de hand lopen. Dat komt omdat honden geen bijtrem hoeven te hebben ten opzichte van niet-roedelgenoten. Bij wolven bestaat er vooral een bijtrem naar roedelgenoten en niet tot nauwelijks naar niet- roedelgenoten. Dit zijn immers indringers en die moeten worden verjaagd. De algemene regel is dus: tracht dit soort gevechten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan op een aantal manieren.
"Belangrijk is dat honden leren de aanwezigheid van andere honden in het park en het bos te accepteren en in sommige gevallen dus soortgenoten te leren negeren", aldus Doreen Planta. "Dat klinkt misschien raar omdat we het altijd hebben over de hond als sociaal dier. Maar dat sociale gaat over de eigen roedel; in de meeste gevallen is dat het mensengezin waarin de hond woont. Het is een misverstand te denken dat de hond het prettig vindt om met willekeurig elke hond te spelen. Dat spelen kan totaal escaleren. Dwing je je hond om met alle andere honden te spelen, dan kun je hem in een lastig parket brengen." Kennen honden elkaar, komen ze elkaar vaker tegen in het park en hebben ze door middel van hun gedrag aangegeven het leuk te vinden met elkaar te spelen, dan is er uiteraard geen enkele reden om dit spel tegen te houden. Wees echter niet zo onvoorzichtig dingen erbij te halen die een gevecht alleen maar in de hand kunnen werken: balletjes en brokjes maken het spelletje vaak niet leuker, maar worden juist inzet voor een gevecht.
Goed onder appèl staan is uiteraard ook heel belangrijk bij het voorkomen van gevechten, zodat men de hond kan terugroepen indien dat nodig is. Hoe vaak wordt nog de eenvoudige beleefdheidsregel overtreden die zo veel narigheid kan voorkomen? "Zie je een tegemoetkomend iemand zijn hond aanlijnen, dan moet jij jouw hond bij je roepen en aan de lijn nemen. Al ben je er nog zo van overtuigd dat jouw hond ‘niets doet'. Met de aangelijnde hond kan overigens ook wat aan de hand zijn. Deze kan bijvoorbeeld net een operatie achter de rug hebben en het rustig aan moeten doen. Toch is dit helaas een regel die overal met voeten wordt getreden."
Men hoeft overigens niet elke vorm van agressie te zien als het eerste begin van een gevecht.
Waarschijnlijk de vaakst voorkomende vorm van agressie is de afweer van teven tegen opdringerige heren. Het is normaal gedrag als een teef een reu afsnauwt die zo brutaal is op haar te springen terwijl daar geen enkele reden toe is. Hier zal geen gevecht ontstaan, want zo'n reu begrijpt de waarschuwing dat hij te ver is gegaan als de beste en taait zonder morren af. Ook in andere situaties kan een hond een andere hond afsnauwen, alleen al omdat deze zich in zijn persoonlijke zone bevindt. Honden die keurig geleerd hebben naar dit soort signalen te luisteren zullen afdruipen. Er hoeft dus niet meteen een gevecht te ontstaan.
Elk middel geoorloofd
Zijn de kemphanen in een gevecht verwikkeld, dan moet je de hond kennen om te weten wat het beste werkt. Sommige honden zullen afdruipen als de baas een flinke schreeuw geeft, andere horen hierin een strijdkreet en vatten die op als het sein tot aanval. Weglopen bij de hond helpt bij de ene, maar werkt bij de andere juist averechts. "Is het knokken dus toch begonnen dan is", aldus Doreen Planta, "bij wijze van spreken elk middel toegestaan om de partijen te scheiden, voordat er onherstelbare dingen gebeuren." De hulp van de eigenaar van de tegenpartij is daarbij hard nodig. Er zijn honden die, eenmaal vechtend, door het lint gaan en ook mensenhanden die zich in de gevechtszone bevinden grijpen, andere zullen dat wel uit hun hoofd laten. Het lijkt allemaal in een flits te gebeuren, maar vergis je niet: de vechtersbazen weten meestal precies wat ze doen. "Meer dan de helft van de mensen die worden gebeten hebben zich in een hondengevecht gemengd, dus risicoloos is ingrijpen zeker niet, maar je moet op zo'n moment wat. Kies de juiste timing en ga zeker niet trekken aan de honden als een van de twee zich in de ander heeft vastgebeten: vreselijke scheurwonden zijn het gevolg. Voorkomen is dus de kunst, voor je hond en voor jezelf."
Roedelkwesties
Anders is het met conflicten in een roedel. Deze vinden onder andere plaats op het moment dat honden van rangorde wisselen. Dat is een proces wat hoe dan ook zijn beloop moet hebben. "Hoe minder men zich daar als baas in mengt, hoe beter. Dit soort incidenten is er ook nooit opeens, ze zijn al weken, maanden ingeleid met bijvoorbeeld tanden laten zien, grommen en andersoortig dreiggedrag." Juist als de baas zich er buiten houdt, kan het daarbij blijven, want de betrokken honden kunnen de nieuwe onderlinge verhoudingen vaak al met deze middelen bepalen. Inmenging van buiten werkt meestal contraproductief, omdat de mens - met de beste bedoelingen - precies de verkeerde ondersteunt. Hierdoor worden gevechten binnen de roedel bevorderd. "Als een van beide honden bijzonder goed onder appèl staat komt het wel voor dat die het niet waagt de ander te corrigeren voor ongewenst gedrag waar hun baas bij is. Als een ondergeschikte iets doet wat door de dominantere zou moeten worden gecorrigeerd, durft deze dat alleen te doen in afwezigheid van de baas; dat worden dan vaak de honden die vechten als de baas niet thuis is." Deze situatie gebeurt nog weleens bij de oudere hond en de jonge pup des huizes. De condities voor zo'n conflict worden onbedoeld gecreëerd als de pup steeds in bescherming wordt genomen tegen correcties van de oudere hond. Deze situatie is dus vergelijkbaar met die van het kind in het gezin: de baas verhoogt door zijn beschermend ingrijpen kunstmatig de positie van kind of pup. Met dezelfde risico's: bij afwezigheid van de baas treden de oude dominantiewetten gewoon in werking. De ‘pup met aangeleerde hoogmoedswaanzin' roept dan door zijn vrijmoedige gedrag onevenredig zware correcties over zich af.
Teven
De raadgeving om het vechten op zijn beloop te laten geldt dus niet op straat, maar wel in de roedel. Daarbij moet een belangrijke kanttekening worden gemaakt: vooral bij reuen. Die weten namelijk meestal zelf van ophouden, zodra de boodschap is overgekomen. Teven, dat is een ander verhaal. Lukt het twee teven niet de rangorde onderling op een min of meer harmonieuze manier vast te leggen en te handhaven, dan blijven ze er op een zeer felle manier om vechten. Bij teven komt het begrip ‘overgeven' dan niet gauw in hun woordenboek voor. Zijn ze eenmaal de drempel over dan wordt dat op den duur een kwestie van erop of eronder. In zo'n ontspoorde relatie zit er niet veel anders op dan hen permanent te scheiden, want uiteindelijk gaan ze elkaar zeer ernstige dingen aandoen. Het enige wat eventueel nog zou kunnen resten is een samenleven in een kunstmatige situatie, onder strenge discipline. Maar nooit mag het toezicht verslappen, want bij afwezigheid daarvan wordt de strijd onmiddellijk hernomen. Gezien het feit dat teven onderling zo intolerant kunnen zijn, is het apart dat ze bij puppykopers zo populair zijn: de meeste mensen willen een teefje omdat dat ‘liever' zou zijn. Bezitters van een roedel weten beter. Wie twee honden wil houden, zou de combinatie van twee teven zeker niet als ideaal moeten zien. Meestal probleemloos is een span van reu en teef, daarna komen twee reuen. Twee teven is pas laatste keus.
Castratie
Vaak wordt gedacht dat er van castratie (ook de zogenaamde sterilisatie van de teef is over het algemeen een castratie) een kalmerend effect verwacht kan worden op het gedrag. Dat is echter lang niet altijd zo. "Castratie heeft om te beginnen geen effect bij honden die al hebben leren vechten. Als aanvallen een gewoonte is geworden speelt het leereffect een veel grotere rol. De hond heeft immers geleerd dat dit vechten effect heeft, op wat voor manier dan ook. Offensief agressief gedrag buiten de roedel van teven wordt eerder nog versterkt door castratie, dus in plaats van zachter worden die teven juist feller. Ook teven binnen een roedel gaan zich, eenmaal gecastreerd, echt niet leuker ten opzichte van elkaar gedragen." Doreen Planta waarschuwt hier ernstig voor: dominant agressief of offensief agressief gedrag is een contra-indicatie voor castreren, bij 70% van de teven die dit agressieve gedrag toont wordt dit gedrag erger. Ook binnen de roedel worden de verhoudingen door castratie eerder nog meer, dan minder gespannen.
Discipline
Teven hebben nu eenmaal onderling een ingewikkelder sociaal spel te spelen. Maar dat wil niet zeggen dat ze altijd problemen maken, ze moeten ze ook voorkomen met disciplinerende, soms niet bepaald ‘lief' overkomende maatregelen. Daarom is het misschien goed om af te sluiten met een voorbeeld van tevengedrag waaruit absoluut ook geen gevecht zal ontstaan, maar dat ten onrechte wel vaak door mensen zo wordt verstaan: het strenge, disciplinerende gedrag naar jonge honden waarin vooral teven goed zijn. Terwijl het hele gezin in vervoering de escapades van de pup volgt en veel te veel door de vingers ziet, neemt de volwassen teef de opvoeding serieus ter hand. Op het oog loopt ze knorrig en grommerig rond, soms grauwt ze naar de pup en geeft die een snerpende gil. Voor mensen ziet het er misschien niet leuk uit, maar oudere hond en pup begrijpen elkaar perfect en leven in feite in grote duidelijkheid en daardoor uiteindelijk in perfecte harmonie.
(Verschenen in Los Vast, het vakblad van de Nederlandse Vereniging voor Instructeurs in Hondenopvoeding en -opleiding (O&O), februari 2002)