door Janneke Leunissen-Rooseboom
Elke combinatie die een fokker maakt is – als het goed is – een kwestie van verstand én gevoel. Gevoel omdat een fokker intuïtief bepaalt waarom de ene reu wel en de andere niet bij een bepaalde teef past. De een heeft dat ‘Fingerspitzengefühl’ meer dan de ander, wat er voor zorgt dat er verschil is in kwaliteit en eenheid tussen de fokproducten van verschillende kennels. Dat is in belangrijke mate een kwestie van zien en aanvoelen. Maar om succesvol te fokken is verstand zeker zo hard nodig. Want aan fokken valt ook veel te bestuderen en te beredeneren. Elke dekking kent verschillende kansen. Het gaat erom de kansen op goede zaken zo groot en die op mindere prettige zo klein mogelijk te maken.

Gevoel en verstand worden ondersteund door kennis van stambomen. Als een fokker die bekijkt, gebruikt hij meestal stambomen die zijn uitgewerkt over vijf generaties. Dat zijn er dus twee meer dan de drie die staan op de stamboom van de Raad van Beheer. Een fokker wil ook zien wie de ouders en grootouders zijn van de overgrootouders. Als het goed is kent de fokker een aantal honden die op de stambomen voorkomen, maar zo niet dan kan hij kan er het nodige over nazoeken. Aan de hand daarvan vormt hij zich een beeld over de kwaliteiten van de honden die op de stambomen voorkomen, en vooral van de combinatie daarvan. Als de stambomen naast elkaar worden gelegd kunnen er twee dingen blijken: ofwel bij die 2 x (2+4+8+16+32) hondennamen staat geen enkele dubbele, ofwel er komen namen overeen. Is het eerste het geval, dan spreek je van een outcross. In het tweede geval gaat het technisch gesproken om inteelt. Hondenfokkers onderscheiden daarin nog de ondercategorie lijnteelt.

Begrippen

Je spreekt van outcross als in de stamboom van de vaderhond geen enkele naam staat die ook voorkomt in die van de moederhond. Dat betekent dus dat de ouderdieren – althans binnen vijf generaties – geen familie van elkaar zijn. De ouderdieren zitten dan genetisch ook verschillend in elkaar. Verschillend uiteraard slechts voorzover dat binnen een ras mogelijk is, omdat rasgenoten per definitie veel van elkaar weg hebben. Zelfs als de ouderdieren in bepaalde opzichten op het oog overeenkomen, valt bij een outcross combinatie moeilijk te voorspellen hoe hun pups zullen uitvallen. Die kunnen op de ouders gaan lijken, maar dat hoeft helemaal niet. Soms vinden fokkers dat vervelend, soms is het juist gewenst. Van tijd tot tijd heeft elke fokker namelijk behoefte aan een verruiming van de mogelijkheden, daarvoor moet hij een outcross toepassen. Hondenfokkers spreken van inteelt als de eerste overeenkomende namen al optreden in de generatie van de ouders of grootouders. Dat gebeurt dus als een reu met zijn dochter of zijn moeder wordt gecombineerd of als een (half)broer en (half)zuster aan elkaar worden uitgehuwelijkt. Voor alle andere combinaties hanteert men het begrip lijnteelt. Daarbij vindt je dus ‘ergens’ in de stamboom aan vaders- en moederskant een of meer namen meer dan een keer terug. De ouderdieren zijn in meer of mindere mate familie van elkaar.

Voorspelbaarheid

Waar fokkers meestal naar op zoek zijn is een zo groot mogelijke voorspelbaarheid van het eindproduct. Ze willen graag pups fokken met een bepaald uiterlijk of met een bepaalde werkaanleg. Om dat te krijgen, dat is nu juist de sport! Combineren van fokdieren die een of meer voorouders delen vergroot de kans dat de pups die zij samen voortbrengen op die gemeenschappelijke voorouder(s) lijken. Dat komt omdat de genen van die voorouders als het ware in een hogere concentratie beschikbaar zijn en dus een grotere kans hebben tot uitdrukking te komen in de pups.

Eigen lijn

U begrijpt dat deze manier van fokken voor een fokker zeer interessant is. Hij kan redelijk gaan voorspellen hoe de puppy’s in een nest gaan worden. Als de fokker dit systeem verder doorvoert worden in zijn kennel op den duur pups geboren met in hoge mate dezelfde eigenschappen. Men spreekt dan van het opzetten van een ‘eigen lijn’, waarin bepaalde raskenmerken zeer sterk zijn vastgelegd. Aan die specifieke kenmerken kunnen rasspecialisten herkennen uit welke kennel een pup of hond komt. Zo iets te bereiken is de droom van veel toegewijde, serieuze fokkers.

Nadeel

Helaas, fokken binnen een familie heeft ook een nadeel. De honden die meerdere malen in een stamboom voorkomen en wier kwaliteiten (de weg naar) het ideaalbeeld vormen, hebben namelijk niet alleen goede eigenschappen, maar zijn ook in staat een aantal ziekten te vererven. Elke hond draagt een stuk of tien genen voor ziekten bij zich. Dat is geen probleem, want een ziekte openbaart zich niet, zolang er een gen voor gezondheid tegenover staat. Dat is normaal gesproken bijna altijd het geval. De kans dat een pup van zijn vader en moeder nou net hetzelfde ziektegen erft, en dus daadwerkelijk ziek wordt, is bij een outcross klein. Bij lijnteelt echter is die kans bewust vergroot; bij inteelt is dat extreem het geval. Immers deze manieren van fokken streven er juist naar de variatie van de genetische mogelijkheden te reduceren. Deze werkwijze heeft een onbedoeld bij-effect. Niet alleen in voortreffelijke eigenschappen, ook in erfelijke gebreken kan een puppy sterk op de in de stamboom meermalen voorkomende voorouder(s) gaan lijken. Zelfs zo, dat zich bij de pup openbaart wat die voorouders slechts verborgen bij zich droegen. Oftewel: de pup lijdt aan de familiekwaal.

Kansen schatten

Bij fokken gaat het om inschatten van kansen. Bij een inteeltcombinatie (vader x dochter, zoon x moeder, halfbroer x halfzuster) is de kans dat ziekten zich openbaren heel groot. Bij lijnteelt is die kans minder, maar is extra waakzaamheid wel op zijn plaats. Van een aantal erfelijkheidszaken kan de fokker op de hoogte zijn. Maar het is onmogelijk alles te weten. Er spelen immers zo ontzettend veel genen een rol, en die voor ziekten blijven verborgen zolang ze niet samen in een individu terecht komen. Met lijnteelt worden ze daartoe wel aangemoedigd, maar het kan een tijd duren eer het zover komt. Zelfs het maken van een pure inteeltcombinatie, wat fokkers bij uitzondering wel eens op proef doen, hoeft niet meteen tot inzicht te leiden. Worden er pups met een afwijking geboren dan is zeker dat de ouders drager daarvan zijn. Maar helaas, het omgekeerde geldt niet: een gezond nest uit een enkele proefparing wil niet zonder meer zeggen dat de ouders geen ellende te bieden hebben, het kan toevallig goed zijn gegaan. Slechts als het complete DNA in kaart zou zijn gebracht zou je weten wat een hond genetisch te bieden heeft, ook in het negatieve. Zover is het echter nog niet. Inzicht op basis van DNA is er alleen voor bepaalde ziekten en bij de bepaalde rassen. De Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en het daarvan afgeleide concept Centraal Fokbeleid van de Raad ontmoedigt inteelt, omdat die fokmethode het grootste gezondheidsrisico oplevert. De Raad is van plan pups uit een pure inteeltcombinatie niet meer in te schrijven in het NHSB. Anders dan mensen wel eens denken zal lijnteelt echter gewoon toegestaan blijven. (Verschenen in de rubriek Raad en Daad (Raad van Beheer) in maandblad Onze Hond, oktober 2003)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *